Grote wijzigingen van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zitten er niet in. Het kabinet sluit zich aan bij wat alle betrokken partijen – OR’en, vakbonden, werkgevers en wetenschappers – vinden, namelijk dat de OR redelijk goed functioneert. Wel wil het kabinet een aantal randvoorwaarden verbeteren om enkele knelpunten te verbeteren, zoals het contact met de achterban en eenvoudigere verkiezingen. Hierbij een compleet overzicht, met een korte toelichting.
Dat de OR in Nederland redelijk goed functioneert, wordt in het laatste Nalevingsonderzoek met cijfers onderbouwd. Op de vraag ‘Hoeveel invloed hebben de door de OR opgestelde stukken op de besluitvorming? ‘ zei in 2005 45% van de respondenten ‘regelmatig tot bijna altijd’. In 2008 was dat percentage gestegen naar niet minder dan 62%. Het kabinet breekt in deze notie nog eens een stevige lans voor het bestaan van de OR, die goed uitpakt voor onze economie: ‘Het kabinet is er van overtuigd dat de medezeggenschap in Nederland een grote toegevoegde waarde heeft en - zowel individueel op bedrijfsniveau als voor onze economie in zijn geheel - een positieve invloed heeft. De medezeggenschap is volwassen en de mensen die hun tijd geven aan de medezeggenschap als OR-lid of ondersteunend bij de medezeggenschap zijn betrokken, hebben een grote verantwoordelijkheidszin.’
Alvorens op de voorstellen in te gaan, wil het kabinet benadrukken dat ‘(…) de inventarisatie, de discussie met en in het veld en de verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat de medezeggenschap - in de dagelijkse praktijk - in een organisatie zelf wordt vormgegeven. De WOR biedt contouren en vormt een vangnet, maar de invulling van de medezeggenschap in de praktijk is sterk afhankelijk van de manier waarop de werknemers en hun OR samen met de bestuurder hieraan vorm geven. Organisaties van werknemers en werkgevers, scholingsinstituten, OR-platforms, etc. kunnen hierbij ondersteuning bieden. De invloed van de wetgever is, met andere woorden, beperkt.’
De voorstellen van het kabinet
1. Verkiezingen
Het kabinet wil de eisen die in artikel 9 WOR worden gesteld aan de kandidatenlijsten en aan het aantal benodigde handtekeningen versoepelen. Een van de ‘klassieke’ problemen voor de OR is het vervullen van vacatures. Dit geldt zowel bij de start van een nieuwe OR als bij tussentijdse vacatures. Het organiseren van succesvolle verkiezingen kan bijdragen aan het animo voor de OR. Nu zegt de WOR dat eerst een lijst moet worden opgesteld voor vakbondsleden en daarna pas voor overige deelnemers, de vrije lijsten. Bovendien moeten ongeorganiseerde werknemers dertig handtekeningen verzamelen voordat hun lijst aangenomen kan worden. Het kabinet wil dat straks beide lijsten tegelijk kunnen worden opgesteld en dat het aantal benodigde handtekeningen voor ongeorganiseerde werknemers wordt verminderd. Het kabinet zal de WOR op deze punten aanpassen.
2. Achterban
Het kabinet meent dat het in de WOR opnemen van een bepaling - die de OR verplicht om vast te leggen hoe de dialoog met de achterban wordt aangegaan - de relatie tussen OR en achterban kan ondersteunen. Het wordt een algemene bepaling, de OR mag zelf invullen hoè hij dat gaat doen. Het kabinet stelt zich voor dat de OR in zijn reglement zaken opneemt als of en hoe de achterban invloed kan uitoefenen op de agenda van de OR, hoe en wanneer de OR de achterban raadpleegt, etc. De SER zou een bijdrage kunnen leveren door voorbeeldreglementen voor de OR te ontwikkelen, met diverse alternatieven voor een concrete invulling van het contact tussen OR en achterban.
3. Commissies
In de huidige bepalingen over het instellen van commissies (artikel 15 WOR) is opgenomen dat een commissie altijd een OR-lid moet tellen. Voor een kleine OR of een OR met vacatures kan dit moeilijk zijn. Dit is vooral het geval als de OR vanwege de werkdruk of als middel om de achterban meer bij de medezeggenschap te betrekken, kiest voor meerdere commissies. Als oplossing is wel eens gesuggereerd dat de OR niet langer wettelijk verplicht moet worden om een OR-lid in elke commissie van de OR te laten plaatsnemen. Het kabinet zal bezien of artikel 15 WOR verruimd kan worden zodat bij de vorm en samenstelling van de commissies voor de OR meer mogelijk wordt.
4. Ad hoc afzien van bevoegdheden van de OR
Het kabinet zal bezien of en zo ja, hoe in de WOR kan worden vastgelegd dat een OR die ad hoc afziet van uitoefening van zijn advies- of instemmingsrecht over een specifiek voorgenomen besluit, later niet naar de Ondernemingskamer kan stappen om het recht waarvan is afgezien alsnog te claimen. Het kabinet beseft dat het hier om een ingrijpend besluit gaat van de OR. De OR ziet hiermee immers af van een advies- of instemmingsrecht. Dit moet niet lichtvaardig gebeuren. Het kabinet zal daarom bezien of waarborgen voor een dergelijke beslissing moeten worden opgenomen, bijvoorbeeld dat een OR zich eerst vergewist van het draagvlak bij zijn achterban. Ook zal aandacht worden besteed aan juridische implicaties (onzuivere wilsvorming).
5. Ondernemingsovereenkomst
Door het afsluiten van een ondernemingsovereenkomst tussen OR en bestuurder (artikel 32, lid 2 WOR), kunnen afspraken worden gemaakt over de uitvoering van de medezeggenschap of over extra bevoegdheden voor de OR. Er kan worden bepaald of deze voor bepaalde of onbepaalde duur geldt. De SER pleit ervoor om de rechtzekerheid voor beide partijen te vergroten en geschillen over de in acht te nemen opzegtermijn te voorkomen. Daarvoor moet in de WOR worden opgenomen dat de ondernemingsovereenkomst, als er geen andere afspraak is gemaakt, in ieder geval met inachtneming van een termijn van zes maanden kan worden opgezegd.Het kabinet zal het voorstel van de SER overnemen.
De OR zal zich bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten goed rekenschap moeten geven van wat dit betekent voor zijn activiteiten. Het kabinet wil dan ook dat een OR zich eerst vergewist van het draagvlak voor een dergelijk besluit bij zijn achterban. Dit zal in de wetsbepaling worden opgenomen.
Het kabinet merkt nog op dat het zowel wat betreft ad hoc afzien van bevoegdheden, als wat betreft het bovenstaande niet gaat om het structureel afzien van bevoegdheden. Het kabinet is van mening dat het structureel afzien van bevoegdheden niet passend is in de visie op medezeggenschap zoals deze in de WOR is neergelegd.
6. Geschillenregeling
Momenteel zijn er 23 bedrijfscommissies (artikel 37 t/m 46 WOR) voor de marktsector. De SER gaat dit terugbrengen tot twee bedrijfscommissies. Met deze concentratie kunnen de taken doelmatiger, efficiënter en goedkoper worden verricht. Door bundeling van werkzaamheden zal bovendien de expertise en kwaliteit toenemen. De besluiten die de SER over ressort, samenstelling en werkwijze van de nieuwe bedrijfscommissies zal nemen, zijn er op gericht bovenstaande te waarborgen. De bedrijfscommissie voor de overheid wordt niet geraakt door dit besluit van de SER. Het kabinet kan zich vinden in deze nieuwe aanpak.
Het kabinet komt verder nog met twee wijzigingen in de WOR. Ten eerste zal het kabinet de verplichte bemiddeling door bedrijfscommissies schrappen. Als tweede wordt de registratie van het voorlopige OR-reglement, het OR-reglement, de wijziging van het OR¬reglement en het OR-jaarverslag bij de bedrijfscommissies geschrapt.
Het kabinet wil de registratie van instelling en opheffing van vrijwillig ingestelde ondernemingsraden zoals in artikel 5a WOR handhaven. Dat geldt ook voor de registratie van ondernemingsovereenkomsten zoals in artikel 32 WOR.
7. Flexibele bevoegdheidsverdeling tussen OR, COR en GOR
Het kabinet wil het mogelijk te maken om via de ondernemingsovereenkomst afspraken te maken over een meer flexibele bevoegdheidsverdeling tussen OR, COR en GOR (zie artikel 35 WOR). Hiermee wordt het mogelijk dat het ene orgaan een bepaalde bevoegdheid opgeeft ten gunste van een ander orgaan. Het kabinet zal de wet zodanig aanpassen dat in een ondernemingsovereenkomst een meer flexibele bevoegdheidsverdeling tussen medezeggenschapsniveau kan worden afgesproken.
8. Structuur van de medezeggenschap en de verdeling van bevoegdheden
In de praktijk sluit de structuur van de medezeggenschap niet altijd goed aan op de (verdeling van) bevoegdheden van medezeggenschapsorganen in een concern, zie bijvoorbeeld de business unit in een concern. De SER zou graag zien dat de WOR het mogelijk maakt dat de OR van een business unit alleen over datgene gaat dat ook aan de business unit is gelaten. Zo zou de OR van de business unit wel over de reorganisatie gaan van deze unit, maar niet over het beloningssysteem.
Een goed sluitende oplossing die rekening houdt met de diverse bevoegdheden vergt een zorgvuldige afweging en dient getoetst te worden bij de praktijk. Het kabinet wil dan ook nog geen definitief besluit nemen tot aanpassing van de wet, maar zal dit eerst nader bezien.
9. Overlegvergadering artikel 23 en 24 WOR
Uit recent onderzoek blijkt dat in het bedrijfsleven de mogelijkheden van de OR om via de halfjaarlijkse bespreking van de gang van zaken met het bestuur van de organisatie (artikel 23 en artikel 24 WOR) afspraken te maken, nog onvoldoende worden benut. De halfjaarlijkse overlegvergadering met het bestuur van de organisatie is echter erg belangrijk, met name voor het gezamenlijk vaststellen van de agenda voor het komende jaar en het inzicht van de OR in het reilen en zeilen van de organisatie. Ook is het een goed middel om de contacten van de OR met de toezichthouders te verbeteren.
Het kabinet wil het gebruik van artikel 24 stimuleren en gaat aan de SER vragen ‘voorbeeldagenda’s’ voor deze vergadering te ontwikkelen.
10. Medezeggenschap in internationale organisaties
Medezeggenschap in internationale organisaties is complexer dan in grote en complexe organisaties die alleen in Nederland vestigingen hebben. Een van de knelpunten is dat de OR niet altijd weet hoe de zeggenschapsverhoudingen in een internationaal concern liggen. Artikel 31 lid 2 WOR stelt verplicht de OR te informeren over de zeggenschapsverhoudingen binnen de organisatie maar strekt zich niet uit over de internationale activiteiten van de groep. Het kabinet stelt voor deze bepaling uit te breiden, zodat de OR de beschikking krijgt over deze informatie.
11. De nieuwe richtlijn voor de Europese Ondernemingsraad
Het kabinet verwacht dat met de implementatie van de nieuwe richtlijn EOR de aantrekkelijkheid van een EOR zowel voor de bestuurder als voor de werknemers zal toenemen. In het algemeen lijkt de EOR in Nederland goed te functioneren en waardering krijgt van zowel werknemers als de bestuurders. Er zijn echter knelpunten zoals de cultuur- en taalverschillen tussen de diverse lidstaten en de geringe frequentie van EOR-bijeenkomsten, zo blijkt uit een EOR-onderzoek. Verder zouden met name grotere EOR-en gebaat zijn bij meer ondersteuning en faciliteiten. In de nieuwe richtlijn wordt daaraan tegemoet gekomen met een nieuwe scholingsfaciliteit. Het ministerie van SZW zal in het voorjaar van 2010 een symposium organiseren rond de nieuwe EOR-richtlijn. Het doel hiervan zal zijn deelnemers hierover te informeren en de aanbevelingen van het EOR-onderzoek met het medezeggenschapsveld te bespreken.
12. Ondersteuning medezeggenschapspraktijk
Het kabinet vindt het nog steeds een goede zaak als de SER een grotere rol zou spelen bij de bevordering en de kwaliteit van de medezeggenschap. De huidige kennis en activiteiten van de SER en de binnenkort door te voeren concentratie van bedrijfscommissies in de marktsector (waarvan het secretariaat bij de SER zal worden ondergebracht, zie voorstel 6) zullen daarvoor een goede en brede basis kunnen bieden. De minister van SZW zal de SER vragen of hij een grotere rol wil bij de medezeggenschap en hoe dit dan moet gebeuren.
De volledige notitie ‘Kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009’ vindt u hier
Zie ook:
- SER- advies over de WOR
- Rapport ministerie van SZW over onderbenutting van bevoegdheden OR
- Notitie: De toekomst van de medezeggenschap
- Verklaring FNV over wijzigingen WOR


Praktijkblad Ondernemingsraad is al decennialang het toonaangevende vakblad voor de OR.
Wat ik jammer vind is dat de in artikel 27 lid 5 WOR genoemde termijn niet wat verruimd wordt. Dat een OR allert moet zijn is mij bekend. Één maand is echter erg kort om OR leden te overtuigen dat zij de procedure dienen op te zoeken. Bovendien zijn het vaak onderwerpen die informeel wel besproken worden met de bestuurder maar door de voortvarendheid van andere mnsen binnen organisaties worden uitgevoerd. Direct op de procedurele toer gaan draagt niet bij tot een pretiige overlegverhouding. Naar mijn mening zou het verlengen van deze termijn naar bijv. 3 maanden in praktische zin een échte verbetering zijn.