In 2023 publiceerde het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn Arbovisie 2040. Die visie was mede gebaseerd op een advies uit 2023 van de Sociaal-Economische Raad (SER). De SER bracht 2 jaar later, in 2025, een vervolgadvies uit. De reactie van het kabinet Schoof op dat advies, uit december 2025, biedt echter weinig hoop op een trendbreuk in het arbobeleid. Het kabinet zwijgt bovendien in alle talen over medezeggenschap.
Het advies van de SER uit mei 2025 ging in op 3 belangrijke thema’s:
- Nieuwe risico’s als gevolg van toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
- Regels die effectief en goed na te leven zijn.
- Arbeidsgerelateerde zorg gericht op preventie.
Nieuwe risico’s
In zijn advies deed de SER onder meer de aanbeveling te anticiperen op nieuwe en veranderende arborisico’s. Veel van die risico’s zijn overigens niet nieuw. Zo staan bijvoorbeeld diverse vormen van psychosociale arbeidsbelasting allang op de agenda, net als de risico’s van 'hybride werken'. En wat daarover staat in de kabinetsreactie, is vooral het beschrijven van de bestaande regels. Daar is weinig 2040 aan – al valt te begrijpen dat met betrekking tot een 'recht op onbereikbaarheid' bij hybride werken wordt gewacht op de Europese regelgeving die in de maak is.
Dat bijvoorbeeld artificiële intelligentie (AI) en hitte op het werk mogelijk nieuwe risico’s met zich meebrengen, laat zich echter raden. De SER adviseerde daarom te investeren in "een (internationale) infrastructuur van (praktijk)deskundigen en stakeholders" voor het vroeg signaleren en beheersen van nieuwe en opkomende risico’s van nieuwe technologieën, productieprocessen en gebruikte stoffen en materialen, en een gewijzigde organisatie en de inhoud van het werk (bijvoorbeeld als gevolg van artificiële intelligentie).
Het kabinet neemt dat advies over, al is nog niet duidelijk hoe die kennisinfrastructuur eruit zou moeten zien. Op het moment van schrijven van dit artikel deden TNO en RIVM daar nog onderzoek naar. Het valt echter te vrezen dat dit vooral een infrastructuur voor deskundigen wordt, en dat de belangrijkste stakeholders – de werknemers zelf, in het bijzonder ondernemingsraden – er bekaaid vanaf komen. De term 'ondernemingsraad' komt in de kabinetsreactie niet voor.
Richtlijnen
Waar ondernemingsraden vooral mee geholpen zouden zijn, zijn duidelijke richtsnoeren waaraan een risicobeoordeling bij nieuwe technologieën moet voldoen. Dat vergt een heel andere benadering dan de huidige RI&E-instrumenten, die vaak de vorm van afvinklijstjes hebben. Nieuwe risico’s vergen een scenario-benadering, waarbij het fijn zou zijn als de overheid tools zou (laten) ontwikkelen om ondernemingsraden daarin te ondersteunen – inhoudelijk, maar zeker ook procesmatig.
Dat hoeft niet heel ingewikkeld te zijn. Er zijn legio instrumenten om scenario’s te ontwikkelen of een technology assessment uit te voeren. Het is wél van belang daar juist werknemers bij te betrekken, zodat zij hun zorgen over nieuwe risico’s kunnen uiten en kunnen meedenken over risicobeheersing. De meeste bestaande RI&E-tools zijn toch vooral een speeltje om het de werkgever zo makkelijk mogelijk te maken. Dat is een strategie die al 30 jaar nauwelijks tot vooruitgang heeft geleid.
Naleefbare en effectieve regels
Volgens de SER is in de regelgeving een zorgvuldige balans nodig tussen duidelijke kaders en voldoende ruimte voor maatwerk. De roep om 'naleefbare en eenvoudige regels' klinkt echter ook al ruim 30 jaar. Voor wie de geschiedenis kent: het rapport met de pakkende titel Maatwerk in bescherming dateert uit 1995. We zijn sindsdien kennelijk niet echt opgeschoten.
Het probleem is echter niet dat er onvoldoende ruimte is voor maatwerk, maar juist dat de 'duidelijke kaders' ontbreken. Zo is al decennia duidelijk dat bijvoorbeeld fysieke belasting schadelijk is én is er al decennia lang een wetenschappelijk onderbouwde norm om fysieke overbelasting te voorkomen – de zogeheten NIOSH-norm. Deze NIOSH-methode is ook opgenomen in een ISO-norm (ISO 11228) en wordt beschouwd als de stand van de wetenschap.
Normen voor arboregels
Om hem even heel plat te slaan: werknemers mogen geen gewichten tillen boven de 23 kilo, en bij frequenter tillen moet het gewicht nog lager. Maar het toepassen van deze tilnorm is in Nederland nog steeds niet wettelijk verplicht.
Een ander voorbeeld is de norm voor werken in hitte. Eerder schreef ORnet al eens dat het vreemd is dat de bestaande, wetenschappelijk onderbouwde normen in 2013 zijn geschrapt uit de regelgeving.
Dat dergelijke normen ontbreken of zelfs actief worden geschrapt, is het gevolg van eerdere druk van de werkgevers. Dit geldt ook voor het eindeloos tegenhouden van duidelijke grenswaarden voor diverse gevaarlijke stoffen. Mocht het kabinet echt een trendbreuk willen, dan moet het af en toe zelf een knoop durven doorhakken.
Duidelijke, wetenschappelijk onderbouwde normen zouden ook de or zeer helpen om discussies over 'te zwaar' of 'te heet' te voorkomen. Hoe werkgevers dan aan die normen kunnen voldoen, is een kwestie waarover zij zich kunnen laten bijstaan door deskundigen. Maatwerk vraagt deskundigheid, niet onduidelijke normen en dan maar wat doen.
Arbeidsgerelateerde zorg
Over deskundigen gesproken: een derde onderwerp waar het al 30 jaar doormodderen is, is arbeidsgerelateerde zorg. In de praktijk ligt het accent bij arbodienstverlening vooral op verzuimbegeleiding. De Arbeidsinspectie noemde de contracten met arbodiensten een paar jaar geleden niet voor niks 'lege hulzen'. En sinds de invoering van de maatwerkregeling in 2005 zijn werkgevers niet meer verplicht om andere deskundigen dan bedrijfsartsen in te schakelen. Dan ligt de oplossing voor de hand, zou ik denken.
De zinsnede dat het kabinet "een open traject [start], waarbij fundamentele vragen over positionering en financiering van de arbozorg aan de orde komen" en de toegezegde evaluatie van de maatwerkregeling lijken echter vooral een voorbode van "opnieuw op de lange baan schuiven". Dat 'open traject over fundamentele vragen' is namelijk al sinds de wijziging van de Arbowet in 1994 gaande. Dat er meer gebruik moet worden gemaakt van de sectoraanpak (ofwel branche-RI&E’s en arbocatalogi), zoals het kabinet bepleit, is ook een pad dat al jaren geleden is ingeslagen – en al die jaren nauwelijks tot verbetering heeft geleid. En hoe die investeringen in preventie van de grond moeten komen?
Preventie
Een echte oplossing zou zijn dat de arbodienstverlening niet langer een markt is met maatwerk (keuzevrijheid voor de werkgever), maar wordt gefinancierd uit een verplichte preventieheffing (bijvoorbeeld een vast percentage van de loonsom, gekoppeld aan het arbeidsongeschiktheidspercentage). Ook het verplicht inschakelen van kerndeskundigen met sectorkennis is wenselijk. En sectorale deskundigheid draagt ook echt bij aan preventie en sectorspecifieke adviezen – in ieder geval meer dan de al genoemde branche-RI&E’s.
Zolang de wetgever nalaat om duidelijke arbonormen en dwingende regels over minimale investeringen in preventie vast te leggen, is het aan de or om hier dan met de bestuurder afspraken over te maken. Na het vertrek van het vorige kabinet zou ik haast zeggen: Aan de slag! Maar ik denk dat het vooral de ondernemingsraden zullen moeten zijn die daarin het voortouw nemen. Van het vorige kabinet moeten we het in ieder geval niet hebben.













